Ha’avara Abkommen

Transferovereenkomst tussen nazi-Duitsland en de zionisten. 

Begin jaren 1930 zijn, behalve Palestina, niet veel landen bereid joden die voor het nazi-regime willen vluchten op te nemen. In het voorjaar van 1933 starten vertegenwoordigers van de zionistische vereniging in Duitsland onderhandelingen met de nazi’s. Onderwerp: een regeling die het grote aantallen Duitse joden mogelijk maakt naar Palestina te vertrekken. 

In augustus van hetzelfde jaar komt een overeenkomst tot stand, die de geschiedenis ingaat als het Ha’avara Abkommen. Ha’avara is Hebreeuws voor verplaatsing (Eng.: ‘transfer’). Het werkt als volgt. Stap 1: joden die willen emigreren, maken hun vermogen over naar een van de ‘transferbanken’ in Duitsland. Stap 2: Van dit geld kopen Palestijns-joodse importeurs goederen in Duitsland, die ze naar Palestina importeren. Stap 3: De emigranten krijgen in Palestina hun ‘inleg’ na aftrek van kosten terug. 

De nazi’s zien in de regeling twee voordelen. Ten eerste wordt door de mogelijkheid bezit mee te nemen de emigratie van Duitse joden versneld. Ten tweede: een flink percentage blijft aan de strijkstok hangen. De kas van de nazi’s, die hoognodig over buitenlandse deviezen moeten beschikken, wordt erdoor gespekt. De handel met Palestina en andere landen in het Midden-Oosten bloeit.

Zionistische groeperingen in het buitenland zijn fel tegen de regeling gekant. Hun bezwaar: de internationale boycot tegen de Duitsers wordt ermee ontdoken.

Na 1935 komen de nazi’s op de regeling terug. Ze zijn bang dat ze een joodse militaire machtbasis creëren, dat uit Duitsland gevluchte joden vanuit Palestina een aanval op hun land zullen doen. De regeling wordt vanaf 1937 steeds verder beperkt. De emigratie van Duitse joden wordt er volgens de nazi’s niet mee versneld. Om joden toch tot emigratie te dwingen wordt gekozen voor het opvoeren van de vervolging. 

De regeling wordt formeel in 1941 stopgezet, hoewel al vanaf 1939 onder het Abkommen geen joden meer de kans krijgen met behoud van hun vermogen te emigreren. Tussen 1933 en 1939 emigreren meer dan 50.000 Duitse joden naar Palestina. Het bedrag dat zij meenemen wordt op 150 miljoen Rijksmark geschat.

Ook antizionisten (meestal ook tegenstanders van de staat Israël) spreken hun afkeuring af over de overeenkomst. Ze menen dat joodse organisaties nooit met Hitler en zijn nazi’s aan tafel hadden mogen gaan zitten.