Calvinistisch predikant en roemrucht christelijk dichter.
Schrijft gedichten met antisemitische trekjes.
Jacobus Revius wordt in 1586 in Deventer geboren als Jakob Reefsen. Hij groeit op in Amsterdam en studeert in Leiden en Franeker. Later keert hij terug naar zijn geboortestad om er als predikant aan het werk te gaan. In 1630 publiceert Revius zijn belangrijkste werk Over-ysselsche Sangen en Dichten, wat nog altijd wordt beschouwd als een hoogtepunt van de Nederlandse barokke literatuur. Publicaties van Revius worden ook tegenwoordig nog gelezen en gezongen.
Het belangrijkste gedicht uit de bundel is Hy droegh onse smerten. Hierin lijkt Revius het op te nemen voor de joden, die het in die tijd zwaar te verduren hadden, vanwege het antisemitisme dat door Europa woekerde. Echter, zo menen critici en kenners van Revius´ werk, het zou voorbarig zijn om op grond van dit gedicht te concluderen dat Revius het goed voorhad met de joden. Bij bestudering van zijn werk blijkt namelijk dat veel van Revius’ gedichten eerder doordrongen zijn van antisemitisme.
Het werk van Revius moet zeker in de tijdgeest geplaatst worden. In die tijd was een goede christen, een calvinist, vaak per definitie een antisemiet. Antisemitisme en christendom gingen hand in hand, zo ook bij Revius. Zijn overgeleverde werk is daarom interessant voor onderzoekers om een beeld van de tijdgeest en het erbij horende antisemitisme te krijgen. De vraag is in hoeverre Revius beschouwd kan worden als jodenhater en in hoeverre hij niet meer was dan een product van de tijd waarin hij leefde.
Hy droech onse smerten
T’en sijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelijck u spo gen int gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,
T’en sijn de crijchs luy niet die met haer felle vuysten
Den rietstock hebben of den ha mer opgelicht,
Of het vervloecte hout op Gol gotha gesticht,
Of over uwen rock tsaem dob belden en tuyschten:
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen,
Ick ben den swaren boom die u had overlaen,
Ick ben de taeye streng daer mee ghy ginct gebonden,
De nagel, en de speer, de gees sel die u sloech,
De bloet bedropen croon die uwen schedel droech:
Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.
Meer info:
