Religio Illicita

Latijnse term voor ‘verboden religie’.

De term stamt uit de Romeinse tijd, maar het principe is ook nu nog op sommige plaatsen in de wereld van toepassing. In de Romeinse tijd is het christendom een Religio Illicita. Dat verandert pas als keizer Constantijn zich ertoe bekeert.

Voor de opkomst van het christendom bestaat de joodse religieuze traditie al in het rijk: de Romeinen hadden immers de provincie Judea bezet. Zo’n tien procent van de bevolking van het Romeinse Rijk zou in die periode Joods geweest zijn.

Het geloof van de Joden wordt echter geen Religio Illicita, omdat het geen bedreiging vormt: men kon slechts Joods zijn van geboorte en niet-Joden konden zich niet zomaar bekeren tot het Jodendom. Dat verandert met de komst van Jezus en het ontstaan van het christendom; een nieuwe godsdienst die openstaat voor iedereen.

In het begin wordt het christendom geaccepteerd, maar al snel wordt duidelijk dat de christenen zich niet houden aan de Romeinse wetten. Zij nemen geen deel aan de keizercultus en houden zich niet aan het verbod op samenzweringen. Gedurende de eerste eeuwen van het christendom worden de christenen op vaak brute wijze vervolgd. De godsdienst blijft echter doorgroeien en vormt vanwege de omvang in de vierde eeuw een bedreiging voor het rijk. Constantijn neemt een verrassend besluit: hij maakt het christendom tot zijn bondgenoot door het toe te staan.