Tacitus (55 – 117)

Romeins jurist, senator en schrijver.

Beschrijft in zijn werk onder meer het joodse volk.

Tacitus is geboren in het jaar 55, in een plattelandsfamilie uit de hogere klassen van de Romeinse samenleving. In zijn jeugd studeert hij retorica, nodig voor een carrière in recht en politiek. Als hij voor in de twintig is, trouwt Tacitus met Julia Agricola. Of het paar ooit kinderen heeft gekregen, is niet bekend.

In 81 begint Tacitus zijn carrière als quaestor, iemand die de financiën van de staat en haar leger controleert, onder keizer Titus. Hierna volgt hij de Cursus Honorum, de reeks officiële posities die jonge politici in Rome moesten innemen, waarna hij een gerespecteerd en kundig jurist en spreker wordt. Nadat hij lid is geweest van de Romeinse Senaat wordt Tacitus in 97 consul.

Hierna schrijft Tacitus eerst enkele kleine werken, alvorens zich weer op zijn praktijk als jurist te richten. In 100 vervolgt hij met succes de proconsul van Afrika wegens corruptie. Na zijn successen als jurist en spreker trekt Tacitus zich voor langere tijd terug uit het publieke leven. In deze periode schrijft hij zijn twee grote werken: de Annalen en de Historiën. Deze twee werken geven een historisch overzicht van de eerste eeuw na Christus.

Slechts delen van deze werken zijn bewaard gebleven, maar men neemt aan dat de Annalen, die Tacitus als laatste schreef, beginnen bij de dood van keizer Augustus in het jaar 14, en de regeerperioden van de verschillende keizers beschrijven tot de dood van Nero in juni 68 of tot het eind van het jaar 68 om aan te sluiten op de Historiën.

Van Tacitus’ Historiën zijn slechts de eerste vier boeken, en een deel van het vijfde, bewaard gebleven. Die boeken beschrijven de jaren 69 en 70. Geschiedkundigen denken echter dat de Historiën doorgaan tot de dood van keizer Domitianus in september 96.

In zijn Historiën geeft Tacitus over de joden een hele reeks verhalen weer die in zijn tijd de ronde doen over de afkomst van het Joodse volk. Opvallendst is het verhaal dat er een vreselijke ziekte heerste in Egypte en dat koning Bocchoris van het orakel van Hammon te horen kreeg dat hij zijn rijk moest reinigen door “dit door de goden gehate ras” te verbannen.

Tacitus beschrijft verder dat één van de “bannelingen”, Mozes, hen waarschuwde om op zichzelf te vertrouwen en hem die hen als eerste uit hun benarde situatie bevrijdde als leider te kiezen. Verder beschrijft hij hoe het volk na een zoektocht van zes dagen, op de zevende dag een land vond waarin ze een stad en een tempel stichtten. Hierna gaf Mozes het volk, volgens Tacitus om zijn autoriteit over het land zeker te stellen, een nieuwe vorm van religie, die tegen die van de Egyptenaren ingaat: ze slachten rammen, als bespotting van Hammon, ze offeren de os die de Egyptenaren vereren als god, ze eten geen varkensvlees en vasten voor lange tijden, als herinnering aan de periode in de Egyptische woestijn waarin ze niets hadden.

Volgens Tacitus vergrootten de joden hun rijkdom door geschenken aan te nemen van de “meest verlaagde van andere volkeren” en door onder elkaar eerlijk te zijn maar de rest van de mensheid als vijanden te beschouwen. Om zich te onderscheiden van andere mannen, lieten joodse mannen zich besnijden. Net als de Egyptenaren geloven de joden volgens Tacitus in de onsterfelijkheid van “zielen van allen die vallen in de strijd of door de hand van een beul”.

In tegenstelling tot de Egyptenaren, die vele dieren en beelden vereren, hebben de joden slechts een mentaal beeld van hun godheid. Ze keuren het maken van afbeeldingen van godheden af omdat hun godheid eeuwig is en niet geschikt voor afbeelding. Tacitus noemt de Joodse religie “smakeloos en gemeen”.

In 112 wordt Tacitus gouverneur van de Romeinse provincie “Asia”, die gelegen is in Anatolië (door de Romeinen aangeduid als Asia Minor) in het huidige Turkije. Voor zover bekend is Tacitus overleden in 117.