Vader des vaderlands voor de Palestijnse Arabieren. Stichter van de PLO. Organiseert terreuraanslagen. Spreekt de Verenigde Naties toe. Onderhandelt met Israël over vrede, maar wijst een compromis af.
Volledige naam: Abdel-Raouf Arafat al Qudwa al-Hoesseini. Arafat is afkomstig uit dezelfde familie als Hadj Amin al-Hoesseini, de door de Britten benoemde grootmoefti van Jeruzalem, die nauw samenwerkte met nazi-Duitsland om de joden uit te roeien. Een van zijn onderwijzers kort de naam in tot Yasser, wat in het Arabisch makkelijk betekent.
Belangrijkste hoofdrolspeler aan Arabisch-Palestijnse kant. “Onbetwiste leider van de Palestijnen”. “Alleenheerser en dictator”. “Weigert de macht te delen en heeft 40 jaar lang nooit iemand anders naast zich geduld.”
Zowel Arafat als de PLO opereren op niet-religieuze, nationalistisch-Arabische grondslag; dit in tegenstelling met Hamas en zijn leiders, die wel de islamitische religie als basis hanteren.
Zou aan de ziekte van Parkinson lijden gezien zijn rode ogen en trillende onderlip. Volgens zijn vrouw als gevolg van de klap die hij kreeg tijdens een vliegtuigongeluk in de Sahara, waarbij zijn piloot en co-piloot omkwamen. Zelf hield hij het op oververmoeidheid.
Arafat is in 1929 in Cairo (Egypte) geboren en heeft daar tot zijn 28e gewoond, maar beschrijft zichzelf als in Jeruzalem geboren Palestijns kindslachtoffer van de Israëlische terreur. Dit feit wordt door zijn tegenstanders veelvuldig genoemd om zijn onbetrouwbaarheid aan te tonen.
Ook het merendeel van zijn directe medebestuurders van de Palestijnse Autoriteit zouden geen Palestijnen van oorsprong zijn.
Zijn moeder overlijdt als hij vier jaar oud is. Zijn vader was een rijke koopman.
Smokkelt in de jaren ’40 wapens voor de Arabieren.
Volgt een technische universitaire studie in Cairo, die hij onderbreekt om in Gaza mee te vechten tegen de Joden, maar rondt zijn studie later alsnog af.
Tijdens de Suez-crisis (1965) vecht Arafat aan de Egyptische kant.
1958-1959: Richt samen met vrienden de Al-Fatah op, een organisatie die zich concentreert op oorlog met Israël.
1964: Zijn organisatie wordt opgenomen in de overkoepelende PLO, opgericht door de Arabische staten.
1996: In januari wordt hij de gekozen leider van de Palestijnse Autoriteit.
1970: In september voeren Arafats PLO en de andere Palestijnse organisaties een burgeroorlog met het Bedoeïenenleger van koning Hoessein van Jordanië. De PLO wordt verslagen en vlucht naar Libanon.
1971: Helpt de terreurbeweging de Zwarte September oprichten (o.a. Olympische Spelen München, 11 Israëli’s vermoord).
Zegt tijdens een toespraak in de Verenigde Naties: “Ik ben gekomen met een olijftak en het pistool van een vrijheidsstrijder. Laat de olijftak niet uit mijn handen vallen!”.
In 1992 getrouwd met de christelijke Palestijnse Suha At-Taweel en heeft een in 2001 geboren dochter, Zahwa.
1994: Krijgt de Nobelprijs voor vrede, samen met Peres en Rabin, voor het tekenen van de Oslo-akkoorden.
1990/1991: Steunt Saddam Hoessein in zijn agressie tegen Koeweit en verspeelt daarmee veel krediet, niet alleen in het Westen maar ook in andere Arabische landen.
1994: Vergelijkt een half jaar na de ondertekening, de Oslo-akkoorden met de vrede van Hudabiya (in 627 door Mohammed gesloten verdrag met de inwoners van Mekka, door Mohammed eenzijdig opgezegd toen de moslims naar zijn idee sterk genoeg waren om een oorlog tegen diezelfde inwoners te kunnen winnen).
1996: Arafat wordt president van de PNA. Zijn persoonlijke veiligheidsorganisatie bestaat aanvankelijk uit enkele duizenden medewerkers. In 2004 wordt bekendgemaakt dat de PLO maar liefst 45.000 politiemensen op de been heeft.
Arafat zou een belangrijk deel van de fondsen ter bestrijding van de ellende van de Palestijnen op buitenlandse rekeningen zetten en voor zichzelf en zijn medebestuurders houden. Deze feiten zouden zijn aangetoond door gevluchte Palestijnse ‘hackers’ in Londen. Het wordt door Britse kranten en bankiers bevestigd. Volgens dezelfde bronnen heeft hij enorme inkomsten uit cementfabrieken en casino’s, o.a. in Jericho.
Zou ondanks vredestaal rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de organisatie van zelfmoordaanslagen op Israëlisch grondgebied.
Tegenstanders melden dat hij op tv in het Engels spreekt over de wens tot vrede en zich in hetzelfde gesprek in het Arabisch tot de Arabische wereld richt met een oproep tot uitroeiing van de joden.
2001: steeds vaker komt de vraag naar voren of hij de Palestijnse jeugd nog wel in de hand heeft.
2001: In februari besluit de Europese Unie toch maar weer 60 miljoen euro over te maken om Arafats bestuur te steunen.
Het lukt Arafat niet, paal en perk te stellen aan het Palestijnse geweld. Tijdens de Tweede Intifada wordt hij er steeds vaker van beschuldigd niet alleen bij het geweld betrokken te zijn, maar er zelf actief leiding aan te geven.
De Amerikaanse onderhandelaar Zinny doet opmerkelijke uitspraken over Arafat’s vermeende onbetrouwbaarheid.
2002: Zowel Bush, president van de VS, als Sharon, premier van Israël, uiten de gedachte dat vrede sluiten met Arafat onmogelijk is. Het zou daarom de voorkeur verdienen dat hij aftreedt en dat met zijn opvolger serieus over vrede wordt onderhandeld. In deze periode houdt het Israëlische leger hem enige tijd in zijn hoofdkantoor in Ramallah vast en beperkt zijn bewegingsvrijheid. Hij beklaagt zich erover dat de Israëli’s hem verhinderen zijn jaarlijkse kerstvisite aan Bethlehem te maken.
Gezien zijn leeftijd en gezondheidstoestand wordt driftig gespeculeerd over zijn opvolging. Mogelijke opvolgers zijn:
-Marwan Barghouti, secretaris-generaal van de Al Fatah op de Westbank,
-Ahmed Qurei (of Qureia, of Kurei), alias Abu Ala, voorzitter van het Palestijnse parlement
-Mohammed Dahlan, veiligheidsadviseur van Arafat
-Jibril Rajoub, commandant van het Palestijnse leger, en ten slotte
-Mahmoed Abbas, alias Abu Mazen, secretaris-generaal van de PLO.
Begin maart 2003 maakt Arafat – onder zware Amerikaanse druk – bekend dat laatstgenoemde kandidaat een aantal van zijn bevoegdheden zal overnemen, maar hij verzet zich tegen het afstaan van een deel van zijn bevoegdheden. Eind april 2003 treedt onenigheid tussen Arafat en Abbas/Mazen naar buiten over de invulling van het Palestijnse presidentschap. In september 2003 trekt Abbas zich terug. Het nieuwe Palestijnse gezicht naar de buitenwereld wordt Qurei. Eind 2003 verschijnen opnieuw berichten als zou Arafat gelden ‘terzijde gelegd hebben’ uit buitenlandse financiële hulp. Volgens Londense bankiers zou hij over een privévermogen beschikken van circa 1,3 miljard Amerikaanse dollars.
In 2004 komen zijn (gebrek aan) familieleven en zijn echtgenote in opspraak: zij woont in Parijs en zou miljoenen dollars spenderen aan de inrichting van een peperduur appartement. Het vermoeden wordt geuit dat het hier om hulpverleningsgeld gaat. Er gaan geruchten dat zijn vermogen meer dan een miljard dollar bedraagt en voornamelijk door corruptie is verworven. Op 11 november 2004 overlijdt hij na een kort ziekbed in een ziekenhuis in Parijs.
In Palestijnse kranten verschijnt het bericht dat Arafat door de geheime dienst van Israël zou zijn vergiftigd. Diverse organisaties kondigen wraakacties aan. Uit andere bronnen komt het bericht dat hij aan aids zou zijn overleden. Israël weigert in te stemmen met zijn in 2003 geuite wens om op de Tempelberg in Jeruzalem begraven te worden. Het geeft voorkeur aan voor de Gazastrook, maar gaat uiteindelijk akkoord met Ramallah, bij leven zijn hoofdkwartier.
Onmiddellijk na Arafat’s dood wordt heftig gespeculeerd over zijn betekenis. De één schildert hem af als een verfoeilijke terreurbaas die geen vrede kon en wilde bereiken; de ander prijst hem als verzetsheld die het Palestijnse volk op de wereldkaart geplaatst heeft. Ook de vraag naar de manier waarop zijn erfenis is verkregen en wie er recht op heeft – zijn vrouw of het Palestijnse volk – blijft bron van speculatie. Abbas volgt hem op.
