Ambtenaar, schrijver en christenvervolger.
Geboren in 61 of 62 n. Chr.
Bekend vanwege een verzameling brieven in de vorm van proza die hij aan familie en vrienden schrijft.
Volledige naam: Gaius Plinius Ceacilius Secundus.
Bekend onder de namen Plinius Minor en Plinius de Jongere.
Eén van zijn brieven gaat over het christendom. Hij wordt door keizer Trajanus naar Bythinia gestuurd, een provincie in Noord-Turkije. In zijn brief spreekt hij vol verbazing over de opkomst van het christendom. In de afgelegen provincie treft hij steeds meer bekeerde christenen. Heidense tempels worden gesloten en offerfeesten worden niet meer gehouden.
Plinius brengt hierin verandering. Hij krijgt de bevoegdheid van een consul en laat christenen ter dood veroordelen en hoopt zo het christendom uit te roeien.
Zijn brief is belangrijk studiemateriaal voor de ontwikkeling van het christendom in de eerste eeuw n. Chr. De brief wordt door de christelijke Kerk gebruikt als bewijs dat Jezus Christus heeft bestaan. (Plinius, Brieven, 10.96).
Twee andere brieven, gericht aan Tacitus, gaan over de uitbarsting van de Vesuvius, waarin hij een gedetailleerd verslag doet. Plinius heeft de uitbarsting in 79 n. Chr. zelf meegemaakt en daarbij zijn stiefvader en oom Plinius de Oudere verloren. Hij sterft in 114 n. Chr.
