Proselieten

Niet-joden die zich tot het Jodendom bekeerd hebben.

Letterlijk betekent het uit het Grieks afkomstige woord proseliet ‘nieuwkomer’ of ‘iemand die zijn plaats gevonden heeft’. Oorspronkelijk werd het woord alleen gebruikt voor Grieken die zich bekeerd hadden. Later kwam het in gebruik voor niet-joden die jood waren geworden. In de Statenbijbel is het vertaald als  ‘Jodengenoot’.

Zich bekeren tot het jodendom mag – om dwang te voorkomen – alleen als de persoon in kwestie er zelf achter staat. Een mannelijke proseliet moet besneden worden. Degene die zich bekeert moet de regels en wetten van het Jodendom aanvaarden en alle eerdere godsdienstige overtuigingen afzweren. Ook moet de proseliet zich onderdompelen in een klein bad met puur water, de mikvah, om zo een nieuwe, pure, ziel van God te ontvangen. Daarnaast neemt de nieuwkomer een joodse naam aan. Vele Russen die in het huidige Israël wonen en technisch gezien geen jood waren, hebben deze procedure ondergaan.

In de Middeleeuwen was het voor christenen verboden zich tot het jodendom te bekeren. In de Griekse en Romeinse tijd bekeren veel heidenen zich tot het jodendom. Ook buiten het mediterrane gebied vinden bekeringen plaats, bijvoorbeeld in Ethiopië en het Arabische Jemen. De Bijbel stelt dat proselieten speciale attentie verdienen.

Sinds het jaar 300 wordt bekering tot het jodendom niet langer aangemoedigd.

Het woord proseliet wordt ook wel gebruikt voor personen die zich tot andere godsdiensten bekeerd hebben: het christendom, het protestantisme en de islam bijvoorbeeld.

Het begrip proselitisme heeft een negatieve bijklank, staat voor min of meer gedwongen evangelisatie (zendingsijver) en heeft betrekking op christendom

www.newadvent.org/cathen/12481c.htm

Proselyte

(proselytos, stranger or newcomer; Vulgate, advena).

The English term “proselyte” occurs only in the New Testament where it signifies a convert to the Jewish religion (Matthew 23:15; Acts 2:11; 6:5; etc.), though the same Greek word is commonly used in the Septuagint to designate a foreign sojourner in Palestine. Thus the term seems to have passed from an original local and chiefly political sense, in which it was used as early as 300 B.C., to a technical and religious meaning in the Judaism of the New Testament epoch. Besides the proselytes in the strict sense who underwent the rite of circumcision and conformed to the precepts of the Jewish Law, there was another class often referred to in the Acts as “fearers of God” (Acts 10:2, 22; 13:16, 26), “worshippers of God” (Acts 16:14), “servers of God” (Acts 13:43; 17:4, 17). These were sympathetic adherents attracted by the Monotheism and higher ideals of the Jewish religion. St. Paul addressed himself especially to them in his missionary journeys, and from them he formed the beginning of many of his Churches.

About this page

APA citation. Driscoll, J.F. (1911). Proselyte. In The Catholic Encyclopedia. New York: Robert Appleton Company. Retrieved February 20, 2011 from New Advent: http://www.newadvent.org/cathen/12481c.htm

MLA citation. Driscoll, James F. “Proselyte.” The Catholic Encyclopedia. Vol. 12. New York: Robert Appleton Company, 1911. 20 Feb. 2011 <http://www.newadvent.org/cathen/12481c.htm>.

Transcription. This article was transcribed for New Advent by Sean Hyland.

Ecclesiastical approbation. Nihil Obstat. June 1, 1911. Remy Lafort, S.T.D., Censor. Imprimatur. +John Cardinal Farley, Archbishop of New York.

Contact information. The editor of New Advent is Kevin Knight. My email address is feedback732 at newadvent.org. (To help fight spam, this address might change occasionally.) Regrettably, I can’t reply to every letter, but I greatly appreciate your feedback — especially notifications about typographical errors and inappropriate ads.

www.lamplicht.nl/joodgriek.htm

http://www.jaapfijnvandraat.nl/index.php?page=artikel&id=1068

Citaat hieruit:

Vreemdeling
In de Tora staan diverse wetsbepalingen met betrekking tot niet-Israëlieten die zich bij Israël voegden, zoals Exodus 12:48: “Wil een vreemdeling die bij u woont voor de HEER het paasmaal vieren, dan moet hij eerst alle mannelijke leden van zijn familie laten besnijden. Dan mag hij het vieren, omdat hij als een geboren Israëliet geldt. Maar een onbesnedene mag er niet van mee-eten.”

Jood en Griek

terug naar Griekse geschriften

Laatst gewijzigd: 11.05.2001

De termen ‘Jood’ en ‘Griek’ komen meerdere malen voor in het Nieuwe Testament (bijvoorbeeld in Galaten 3:28) en meestal worden ze dan uitgelegd alsof de betekenis zou zijn: ‘Jood’ en ‘niet-Jood’.  Deze betekenis ligt wel voor de hand, maar er ligt méér in deze woorden besloten.

Als we spreken over ‘Joden’ betreft het hoofdzakelijk de afstammelingen van Juda en Benjamin (het Tweestammenrijk), die onder leiding van Ezra uit de Babylonische ballingschap terug-keerden.  Wij komen het woord ‘Jood’ voor het eerst in die betekenis tegen in Ezra 4:12.

Over een terugkeer van het Tienstammenrijk (het koninkrijk Israël dat door de Assyriërs was weggevoerd) lezen we niets in de Bijbel. De leden daarvan werden verstrooid over het gehele oosten en midden-oosten tot in het huidige Rusland toe.

De teruggekeerde Joden uit het Tweestammenrijk waren echter wel representatief voor geheel Israël, zoals blijkt uit de woorden van Petrus in Handelingen 2:14 en 23: ‘Gij Joden’ en ‘mannen van Israël’. Ongetwijfeld waren bij de terugkerenden ook personen uit de andere tien stammen, zoals we kunnen concluderen uit de aanwezigheid van de profetes Hanna uit de stam Aser als de baby Jezus in de tempel te Jeruzalem aan God wordt opgedragen (Lukas 2:36).

Hiermee is echter de volle betekenis van het woord ‘Jood’ niet uitgeput. Het heeft een diepere betekenis dan alleen maar ras of staatsburgerschap. Vooral in het evangelie van Johannes komt dit duidelijk naar voren. Johannes 7 begint met de mededeling dat Jezus aanvankelijk in Galilea blijft omdat ‘de Joden Hem trachtten te doden’. Daarbij dringt zich de vraag op of er in Galilea géén Joden woonden. Het zou echter kunnen zijn dat er wèl Joden woonden, die anders tegenover Hem stonden. Vreemder wordt het als even later Jezus in Jeruzalem is en niemand uit het volk vrijuit over Hem durft te spreken uit vrees voor de Joden (vers 13).Volk (‘scharen’ in de N.B.G.-vertaling) staat hier tegenover Joden. Waren er geen Joden onder dat volk?

Als Jezus in de tempel gaat spreken blijkt hoe klein het aantal Joden is, die voornamelijk uit Farrizeeërs en overpriesters bestaan. Mensen die blijkbaar tot een bepaalde maatschappelijke klasse behoorden.

De betekenis van het Jood zijn ligt niet in het stamverband of het staatsburgerschap, maar is veeleer een levensstijl overeenkomstig bepaalde voorschriften van de overlevering der ouden (Markus 7:4); het ijveren voor de wet (Handelingen 21:20); het heiligen van de sabbat (Johannes 5:10); het onderhouden van de reinigingsvoorschriften (Johannes 2:2); en andere.

In onze tegenwoordige tijd zijn ‘Grieken’ voor ons bewoners van Griekenland. Maar in het Nieuwe Testament wordt nergens over een Grieks volk of een Griekse natie gesproken. In Handelingen 2 worden ‘alle volken onder de hemel’ genoemd, maar geen Grieken (Handelingen 2:5, 9-1 l). Daar staat tegenover dat aan mensen die wij ‘Grieken’ zouden noemen, andere namen worden gegeven, zoals de man uit Macedonië (Handelingen 16:9); mannen van Athene (Handelingen 17:22) en Dionysius de Areopagiet (Handelingen 17:34).

De inwoners van Filippi, een stad in het hart van het tegenwoordige Griekenland, worden geen Grieken, maar Romeinen genoemd (Handelingen 16:21). Blijkbaar hadden zij een Romeinse stijl van (maatschappelijk) leven. Wel wordt in Handelingen 20:2 Griekenland (Hellas) genoemd, maar daar is de provincie Achaje bedoeld (Handelingen 18:12; 19:21).

Verder is het opmerkelijk dat juist van enkele ‘Grieken’ uitdrukkelijk wordt vermeld dat zij niet uit Griekenland kwamen.  De Griek Trophimus is uit Efeze, dat in Klein-Azië lag (Handelingen 21:29) en de Griekse vrouw uit Markus 7:25 is een Syrofenicische (Syrische).

Uit het bovenstaande blijkt wel dat de aanduiding ‘Griek’, net zoals het woord ‘Jood’, niet afstamming of herkomst, maar een levenswijze aanduidt.

Het Griekse woord voor ‘Griek’ is ‘Helleen’. Dit woord had destijds geen enkele nationale of geografische betekenis, doch wilde uitsluitend iets zeggen over levensstijl, beschaving en geestelijke kultuur. Een Helleen of Griek vond zichzelf beschaafd en verlicht ten opzichte van de ‘barbaren’. In Romeinen 1:14 schrijft Paulus: ‘Van Grieken en niet-Grieken….. ben ik een schuldenaar’.  Letterlijk staat er: ‘Van Grieken en barbaren’, zoals ook de Satenvertaling weergeeft.

Sinds Alexander de Grote was de Griekse beschaving, kunst, wijsbegeerte en taal ver doorgedrongen in het Oosten en trof men ‘Hellenen’ of ‘Grieken’ aan door de gehele destijds bekende wereld, als mensen met een superieur erkende levensstijl. Dit Hellenisme moet wel een enorme aantrekkingskracht hebben gehad op de verstrooide Israëlieten die sinds eeuwen niet meer terug konden vallen op een zelfstandige natie.

Als Helleen had men een heel wat prettiger en gemakkelijke introduktie in de wereld dan als Jood en het is dan ook geen wonder als een groot deel van de in de verstrooiing levende Israëlieten in een Griekse stijl leeft: Helleen is.

Met het bovenstaande in gedachten wordt het duidelijk waarom Paulus op zijn reizen zoveel Grieken in de synagogen aantreft:

Handelingen 14:1:         ‘dat er een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken’.

Handelingen 17:4:5       ‘en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden’.

Handelingen 17:12:       ‘en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen’.

Handelingen 18:4           ’trachtte Joden en Grieken te overtuigen’.

In al deze gevallen wordt uitdrukkelijk vermeld dat Paulus tot hen sprak in de synagoge en we moeten ons afvragen of de werkelijke heidenen (niet-Joden, mensen uit de volken) er belang bij zouden hebben gehad naar een vreemdeling te gaan luisteren in een Joodse synagoge, waar ze in het algemeen niet veel van moesten hebben.

Wat anders is het wanneer wij hier te maken hebben met Israëlieten, nakomelingen van de door de Assyriërs in ballingschap weggevoerde Israëlieten uit het Tienstammenrijk, die de Helleense levensstijl hadden aangenomen en daarom geen ‘Joden’, maar ‘Grieken’ werden genoemd., Dat geldt ook voor de Joden uit Israël die zelf verkozen hadden buiten Israël te gaan wonen.

Het ‘Grieks’ zijn betekende niet dat men ongelovig was. Zij vereerden de God van Israël, bezochten de synagoge en hielden de sabbat. Zij hie1den zich niet. aan ‘de gebruiken’ uit de Mozaïsche wet.