In 63 v. Chr. bezetten de Romeinen het land Israël.
Onder het bewind van Herodes wordt de Tweede Tempel vergroot en verfraaid.
In 26 n. Chr. wordt Pontius Pilatus gouverneur van Judea.
In 30 n. Chr. wordt de jood Jezus door de Romeinen vermoord (gekruisigd en doorstoken)
De Romeinen roeien het Jodendom tussen 70 en 135 n. Chr. nagenoeg volledig uit. Overlevenden vluchten alle kanten op. Ze zoeken in alle landen van Europa een goed heenkomen. De vlucht wordt bekend onder de naam diaspora, dat ook wordt gebruikt om de eerdere Babylonische ballingschap aan te duiden.
De Romeinse legereenheden die de Joodse opstanden onderdrukken zouden vervolgens naar de Rijndelta vertrokken zijn, waar ze de strijd tegen de Batavieren verliezen.
Het Romeinse Rijk beleeft onder Trajanus zijn hoogtepunt en brokkelt daarna langzaam af.
