Essay uit 1923.
Geschreven door de zionist Jabotinsky.
Wil het Palestijns-Arabisch verzet vernietigen.
Staat regeren met harde hand voor.
In een essay uit 1923 onder de kop ‘De IJzeren Muur’ stelde Ze’ev Jabotinsky dat de zionisten zouden moeten streven naar een joodse staat in heel Palestina, ongeacht de Arabische reactie. Hij was de enige zionistische leider die de Palestijnen zag als een natie met nationale aspiraties, maar was slechts bereid hen autonomie te verlenen binnen een joodse staat die heel “Eretz” Israel moest omvatten.
Jabotinsky zag wel in dat dit niet zonder geweld zou kunnen. ‘Elk volk zal zich tegen uitheemse kolonisten verzetten zolang er hoop is dat ze zich van het gevaar van een buitenlandse vestiging kunnen bevrijden’, aldus Jabotinsky. ‘Dat zullen de Arabieren ook doen en blijven doen zolang er een sprankje hoop is dat ze kunnen voorkomen dat ‘Palestina’ het Land Israël wordt.’
Jabotinsky wilde dit ‘sprankje hoop’ vernietigen door het Palestijnse verzet volledig te vernietigen. ‘De enige manier om een overeenkomst te bereiken’, aldus Jabotinsky, ‘is door het bouwen van een ijzeren muur, dat wil zeggen de oprichting in Palestina van een macht die op geen enkele manier beïnvloed kan worden door Arabische druk. (…) We moeten ofwel onze pogingen om ons in het land te vestigen opgeven, ofwel ermee doorgaan zonder ons iets aan te trekken van de inheemse bevolking. De vestiging kan zich dan ontwikkelen onder bescherming van een macht die niet afhankelijk is van de plaatselijke bevolking, achter een ijzeren muur waartegen ze machteloos zullen staan.’
Volgens de Israëlische ‘nieuwe historicus’ Avi Shlaim (Avi Shlaim – The Iron Wall, Israel and the Arab World, Penguin UK 2000) werd deze ‘ijzeren muur-doctrine’ al snel overgenomen door de meer gematigde krachten in de Yeshuv en staat de gedachte sindsdien centraal in de Israëlische benadering van de Palestijnen.
In 1936, na de Arabische opstand, sprak David Ben Goerion: ‘Een allesomvattende overeenkomst is nu uitgesloten. Pas na een volledig wanhopen van de Arabieren, wanhoop die niet alleen voortkomt uit een falen van de ordeverstoringen en de poging tot een opstand maar ook als gevolg van onze groei in het land, zullen de Arabieren wellicht toestemmen in een joods Eretz Israel.’
