Op 29 november 1947 stemt een uiterst krappe meerderheid van de VN in met een door UNSCOP uitgewerkt verdelingsplan voor Palestina. De langdurige discussie erover resulteert in de veelbesproken VN-resolutie 181, die het volgende bepaalt:
- Het Britse mandaat zal zo snel mogelijk worden beëindigd.
- Palestina wordt verdeeld in twee onafhankelijke staten: een Joodse en een Arabische.
- Voor Jeruzalem komt een bijzondere internationale regeling.
- E.e.a. zal in werking treden twee maanden na de ontruiming door de strijdkrachten van de mandaatmacht, maar in ieder geval vóór 1 oktober 1948.
- Er komt een gemeenschappelijk monetair systeem. Er komt een gemeenschappelijk ontwikkelingsplan inzake irrigatie en grond. Er komt een gemeenschappelijk beheer van natuurlijke water- en energiebronnen.
Van de 56 landen stemmen er 33 vóór, w.o. de VS en de Sovjet-Unie. 13 landen stemmen tegen, w.o. Egypte, Syrië, Libanon, Irak, Saoedi-Arabië, Jemen en vier niet-arabische landen, Afghanistan, Pakistan, Iran en Turkije, maar ook Griekenland, India en Cuba. Tien landen onthouden zich van stemming, w.o. het Verenigd Koninkrijk.
De joden accepteren het plan, de Arabieren verwerpen het. Een belangrijk aspect van het verdelingsplan is, dat tweederde deel van het historische Israël dat nu Jordanië heet al eerder, in 1922, tijdens de Engelse mandaatperiode, aan de Arabieren was toegewezen.
Het Arabisch Hoge Comité reageert als volgt:
“Iedere poging van de joden of van iedere andere macht om een joodse staat te stichten op Arabisch gebied, is een verdrukking, waarop met geweld gereageerd zal worden als wettige zelfverdediging”.
Een deel van de zionisten, bijeen op een congres te Londen, reageert:
“Het meerderheidsproject van de VN schenkt het joodse volk geen voldoening. David Lloys-George, eerste minister in de periode van de Balfour-verklaring, had er de nadruk op gelegd dat deze verklaring de belofte bevatte geheel Palestina te veranderen in een joodse staat, inclusief Trans-Jordanië. Jordanië werd nochtans in 1922 gescheiden van Palestina en werd een Arabisch koninkrijk. Nu wil men van het resterende Palestina nog een deel amputeren en er een Arabische staat van maken. Daardoor zal het gebied van het Joods Nationaal Tehuis tot minder dan een achtste van de beloofde oppervlakte herleid worden. Niemand mag het joodse volk vragen zulk een offer te brengen”
De Holocaust, de systematische vernietiging van een kleine zes miljoen joden door de nazi’s, was in de periode direct na WO2 voor de internationale gemeenschap een belangrijke reden om voor de overgebleven Europese Joden een eigen, veilig land (‘tehuis’) te creëren.
Volgens de VN woonden er tijdens het verdelingsplan ongeveer twee miljoen mensen in het land, van wie twee derde Arabieren en een derde joden.
De meeste bronnen zijn het erover eens dat de oorzaak van de VN-stappen moet worden gezocht in het Europese schuldgevoel t.a.v. de Holocaust.
Wederzijds
Sommigen noemen het gedrag van de Israëli’s t.a.v. de Palestijnen een etnische zuivering, grenzend aan genocide. Men ziet daarin een aansporing om dat stukje pijnlijke historie, de holocaust, dus – nu zo langzamerhand maar eens te vergeten. Toch zijn er ook aanwijzingen die een tegengestelde kant uit wijzen: direct na de aanname van het verdelingsplan worden in Arabische landen pogroms georganiseerd. Enkele honderden joden komen daarbij om het leven. Ook ontstaat een joodse vluchtelingenstroom, niet alleen richting USA maar vooral naar het dichtbij gelegen Palestina. De stroom houdt aan als een deel van Palestina daadwerkelijk de staat Israël gaat heten. Ook in dit geval wordt gesproken van een etnische zuivering, uitgevoerd door omliggende Arabische staten. Met name gaat het om landen als Algerije, Egypte, Irak, Jemen, Libanon, Libië, Marokko, Syrië en Tunesië. Volgens sommige historici leefde in de omringende landen vóór het verdelingsplan nog een miljoen joden. Rond het jaar 2000 zou dat zijn teruggebracht tot enkele tienduizenden. Omdat ook de meeste joden gevlucht zijn met achterlating van al hun bezittingen, komt de vraag aan de orde of er sprake moet zijn van wederzijdse compensatie i.p.v. alleen compensatie te eisen voor de gevluchte of verdreven Palestijnen.
Het verdelingsplan wordt – vanwege het Palestijnse verzet – vaak een historische fout van de ‘internationale gemeenschap’ genoemd. Men wijst erop dat destijds slechts 52 landen lid waren van de VN (in 2003 zijn het er 192) en dan nog voornamelijk westerse. Velen vragen zich af hoe de 192 leden van de VN vandaag, aan het begin van de 21e eeuw, zouden stemmen over een verdelingsplan, zoals destijds voorgesteld door UNSCOP.
Ook blijft een bron van speculatie hoe de zaken zich ontwikkeld zouden hebben als de Arabieren het plan hadden geaccepteerd. Volgens sommigen zou de autonome Palestijnse staat dan allang verwezenlijkt en veel bloedvergieten voorkomen zijn.
